triest Rotterdam
Nieuwsbrief 6
Rotterdamse Sociale
 Alliantie, netwerk
 tegen armoede, sociale
 uitsluiting en verrijking

14 oktober 2010

mail@rosarotterdam.nl



Over presteerders en verongelijkten




janssen, raf‘Een regeerakkoord waarbij rechts Nederland zijn vingers zou aflikken.'
Aldus de reactie van een teleurgestelde VVD-voorman Marc Rutte bij het aanvankelijke mislukken van de inmiddels opnieuw hervatte coalitieonderhandelingen met CDA en PVV. Een uitglijder van een politicus die al te gretig de nieuwe premier wil worden van alle Nederlanders? Was het maar waar. De uitspraak getuigt van een op handen zijnde opstand van presteerders. Deze worden hierin gesteund door een massa van verongelijkten, die mogelijk al snel van een koude kermis thuiskomen. Hoe om te gaan met een maatschappij vol presteerders en verongelijkten?

De arrogantie van de presteerders

Met een regeerakkoord waarbij rechts Nederland zich de vingers aflikt, steekt de beoogde premier Marc Rutte vol overtuiging de presteerders een hart onder de riem: zij zijn het die de welvaart bij elkaar brengen, hun verdiensten worden erkend en ze hoeven niet bang te zijn dat de nieuwe regering hen berooft van hun zuur verdiende geld en hun moeizaam vergaarde of makkelijk geërfde rijkdom. Dat hart onder de riem hebben ze nodig. De presteerders voelen zich namelijk bedreigd en misbruikt door de groeiende schare van verliezers, mensen die niets of in ieder geval te weinig presteren en een beroep doen op staatszorg.

Geen lastenverzwaring, geen vermindering van de hypotheekrenteaftrek, geen beperking van de mobiliteit. Dat belemmert de presteerders en verziekt het prille economische herstel. Wel ontkoppeling en verlaging van uitkeringen, wel hogere eigen risico's en hogere huurlasten. Dat stimuleert de verliezers zich meer in te spannen in plaats van achterover te leunen op kosten van degenen die de welvaart moeten verdienen in de samenleving. Na de gelijkmakerige jaren van de belastingslurpende verzorgingsstaat gloort eindelijk een samenleving die vrij baan geeft aan presteerders: de prestatiemaatschappij.

De arrogantie van de presteerders is niet dat ze bogen op de prestaties die ze leveren, want die leveren ze doorgaans wel, maar dat ze deze prestaties presenteren als hun individuele verdienste. Dat is een miskenning van de sociale grondslag waarop verdiensten stoelen. Het is geen louter individuele verdienste als mensen economisch succesvol zijn en rijkdom verwerven. Prestatie is eerst en vooral een sociaal gegeven. Bekwaamheid en rijkdom zijn slechts zeer ten dele de persoonlijke verdienste van individuen. Ze zijn veeleer het resultaat van een bepaalde ordening van de samenleving. Cruijff kon uitgroeien tot een groot presteerder op het terrein van voetbal, omdat het merendeel van zijn leeftijdgenoten niet ging voetballen, maar op de tribune ging zitten en Cruijff niet voor de voeten liep, maar hem vanaf de tribune betaald toejuichte. Iets soortgelijks kan gezegd worden van andere presteerders. Daarom is het ook heel terecht dat de samenleving een claim legt op de rijkdom die presteerders vergaren. Moderne presteerders zijn losgeslagen van de sociale bases waarop hun prestaties stoelen. Ze komen in verzet tegen wat zij benoemen als de overtrokken gelijkmakerij van de verzorgingsstaat.

De angst van de verongelijkten

Opmerkelijk genoeg worden de presteerders in hun verzet gesteund door de groeiende groep van verongelijkten. Dat zijn mensen die veel te danken hebben aan de verzorgingsstaat, maar die de verworvenheden van dit bestel zien afkalven. Het gaat om de groeiende groep mensen die zich onzeker en ongelijker voelen, vanwege de groeiende inkomensverschillen en die verongelijkt zijn omdat ze vinden dat anderen die het niet verdienen wèl geholpen worden en zij niet.

art_1010_01

Vincent van Gogh, De Aardappeleters, 1885


Uit het onderzoek Huishoudens in de rode cijfers blijkt dat eind 2008 minimaal 840.000 huishoudens in Nederland kampen met problematische schulden of het risico daarop. Nog eens 250.000 huishouden worstelen door teruglopend inkomen in het huishouden met hun hypotheek. De welvaart wordt precair. Die ontwikkeling doet zich niet alleen voor aan de randen van de samenleving; ook huishoudens in het centrum van de samenleving krijgen te maken met onzekerheid en sociale kwetsbaarheid. Bij deze huishoudens is nog geen sprake van armoede, marginalisering en sociale uitsluiting, maar hun leven lijkt op een fragiel kaartenhuis, dat bij de geringste schok of tegenslag in elkaar zakt.

Steeds meer mensen krijgen te maken met ontwikkelingen die hen angst inboezemen: de uitgaven (vooral de woonlasten) stijgen, de inkomsten worden instabieler, het samenleven wordt losser, de druk van zelfontplooiing en zelfpresentatie neemt toe, de samenleving wordt complexer2). Deze trends duwen mensen in de gevarenzone. Dat maakt mensen angstig en tegelijk boos. Angstig om hun bestaanszekerheid en boos op de overheid die deze bestaanszekerheid niet langer kan garanderen. Zolang het goed ging wilden de meesten niets van de overheid weten, maar nu het minder goed gaat hebben ze behoefte aan voorzieningen die echter steeds minder beschikbaar zijn na dertig jaar oorlog tegen de verzorgingsstaat. Mensen vrezen dat ze afzakken naar het kamp van de verliezers. Daar kunnen ze zich als verongelijkten voegen bij de slachtoffers van de groeiende ongelijkheid tussen rijk en arm. De verongelijkten keren zich tegen de staat, omdat ze vinden dat deze alles en iedereen steunt behalve hen. Een grote verzameling van verongelijkten vindt zich momenteel terug bij de PVV. Het cynische is dat deze partij de presteerders aan de macht brengt die de verongelijkten nog verder zullen verongelijken. Deze zullen snel van een koude kernmis thuis komen als de sociale zekerheid nog verder wordt uitgekleed en als sociale risico's nog meer worden geprivatiseerd.

Groei van de ongelijkheid

Omwille van een herstel van de arbeidsmarkt en uit bezuinigingsoverwegingen wordt al decennialang van verschillende zijden aangedrongen op een verlaging van de uitkeringen. Mensen die noodgedwongen zijn aangewezen op een uitkering komen daarmee in de knel en de zekerheidsgarantie van de huidige verzorgingsstaat verliest aan geloofwaardigheid. In 1963 werd de Algemene Bijstandswet ingevoerd. Met een gegarandeerd inkomen op basis van deze wet zijn jarenlang veel mensen gevrijwaard voor armoede. Die situatie is intussen in haar tegendeel veranderd. Gaandeweg merkten mensen dat de minimumgarantie van de sociale zekerheid hen niet langer beschermde tegen armoede, maar juist steeds meer een zekere weg ìn de armoede is geworden. Sinds 1979 is de armoede in Nederland toegenomen van 4% tot meer dan 10%. Voor een niet onbelangrijk deel is die toename een gevolg van een overheidsbeleid dat is afgestemd op een herstel van de economie en op het behoud van de sociale zekerheid.

Daarmee wordt de vinger gelegd op een merkwaardige tegenspraak in het sociaal beleid dat vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw is gevoerd: om de verzorgingsstaat te behouden wordt deze stap voor stap afgebroken. Het besef begint nu door te dringen dat deze afbreken-om-te-behouden-strategie niet werkt: er blijft op de duur niets over! De voorzieningen zijn verminderd en de uitkeringspercentages zijn verlaagd. Als percentage van het bruto binnenlands product zijn de uitgaven voor de sociale zekerheid in 25 jaar meer dan gehalveerd: van 19 naar 9 procent. Nog steeds wordt de boodschap verkondigd dat er nieuwe maatregelen nodig zijn om de kosten van de sociale zekerheid te beperken. Zo lang die boodschap wordt geloofd zal de verrijking aan de ‘bovenkant' van de samenleving toenemen en zal een versterkte groei van de inkomensongelijkheid samengaan met een toenemende verarming aan de ‘onderkant' van de samenleving.

De relatieve zekerheid van compensaties die de nationale verzorgingsstaat bood, is stap voor stap vervangen door de relatieve onzekerheid van kansen die een ieder moet zien te bemachtigen en te benutten in de scherper wordende concurrentieslag van de wereldmarkt. Dat is het speelveld van de presteerders en het spel dat op dit veld gespeeld wordt zorgt ervoor dat de bestaanszekerheid van mensen die niet meekunnen stelselmatig wordt versmald en uitgehold. Tegen deze ontwikkeling in doet zich een groei voor persoonlijke solidariteit in de samenleving.

Geïndividualiseerde solidariteit

Voor iedereen en zeker voor armen is het hebben van een netwerk erg belangrijk om problemen het hoofd te bieden. Via dergelijke netwerken ontvangen mensen zorg, aandacht en ondersteuning. In dit verband wordt vaak gesproken over sociale cohesie en over informele zorg door buurtorganisaties. Zeker in grotere dorpen of steden is niet of nauwelijks sprake van sociale cohesie of buurtorganisaties. Vaak wordt verondersteld dat er dan ook geen sprake is van informele zorg. Dat is echter niet het geval. Uit recent onderzoek blijkt dat het gebrek aan buurtbinding niet tot gevolg heeft dat er geen hulp bestaat tussen bewoners onderling. Buurtbewoners helpen elkaar wel degelijk. Niet vanwege het gevoel samen een buurt te vormen, want dat gevoel hebben mensen niet meer. Ze helpen elkaar veeleer vanwege een persoonlijke relatie. Het stimuleren van buurtverbondenheid is daarom niet de aangewezen weg om informele zorg te stimuleren. Dat zal veel gerichter en persoonlijker moeten gebeuren.

art_1010_02

Drents stulpje - landschapstafereel ca. 1900

En dat gebeurt ook, steeds omvangrijker, onder meer in de vorm van persoonlijke contacten in allerlei vormen van maatjesprojecten. Dat zijn projecten waarin vrijwilligers een-op-een worden gekoppeld aan iemand die op bepaalde punten in het leven even een coach, mentor of maatje nodig heeft. Het kan gaan om het leren van de Nederlandse taal, om het bieden van emotionele steun, maar ook om hulp bij zelfstandig wonen, of bijvoorbeeld het aangaan van sociale contacten. Maatjes willen iets betekenen voor mensen, die in moeilijke omstandigheden verkeren, geïsoleerd zijn geraakt of hulp willen bij het maken van goede keuzes. Dit contact is wederkerig: ook de mentor doet allerlei nieuwe ervaringen op en geniet van het contact. Het maatje opent deuren, verbreedt paden en is een steun voor de ander. Bij een maatje staan menselijke kwaliteiten centraal zoals warmte, tijd, nabijheid, respect, humor en begrip.

De vernieuwing van het sociale

Maakt de robuuste, maar anonieme en koude, solidariteit van de verzorgingsstaat plaats voor een minder stevige, maar wel meer persoonlijke en warmere solidariteit? Maakt gerechtigheid plaats voor barmhartigheid? Barmhartigheid en gerechtigheid staan dicht bij elkaar. Barmhartigheid is het opkomen voor mensen die in nood zijn en lijden aan onrecht. Dat opkomen kan gedaan worden door elk mens, in elke situatie. Barmhartigheid betonen is overigens niet mateloos en kent een grens, namelijk in de mate dat iemand een ander kan helpen zonder er zelf aan onder door te gaan. De maat van barmhartigheid wordt groter als twee mensen hun inspanningen bundelen of als een groepje mensen dat doet. Barmhartigheid kan ook een correctie zijn op gerechtigheid, zoals neergelegd in wetgeving of instituties. Een mens kan in nood komen door een wet of een instantie, en barmhartigheid werkt daarin corrigerend. In het beleid is er voor de hoogste gezagdrager ruimte om met barmhartigheid de handhaving van de wet te corrigeren: discretionaire bevoegdheid. Zie als voorbeeld de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, die in een individuele situatie kan afwijken van de algemene lijn.

Gerechtigheid is werken aan veranderingen binnen de structuur van een samenleving of gemeenschap op zodanige wijze, dat het onrecht binnen die structuur niet meer mogelijk is en mensen weer tot hun recht komen. Het is barmhartigheid naar een maat vertaald waar allen aan meedoen. Met andere woorden: zorgen voor een goede ordening van de samenleving. Als deze ordening gaat haperen en er gaten vallen in de structuren van de gerechtigheid, zijn er mogelijk vanuit de samenleving werken van barmhartigheid nodig om nieuwe structuren van gerechtigheid op het spoor te komen.

Zijn vormen van geïndividualiseerde solidariteit mogelijke aanzetten tot nieuwe structuren van gerechtigheid? Zijn ze een teken dat de samenleving op zoek is naar een economie van de barmhartigheid, een economie van de edelmoedigheid, een economie van de gift? Groeit er vanuit de samenleving een economie die niet stoelt op het presteren voor zichzelf, maar die drijft op waardering en zelfachting die mensen willen ontlenen aan wat ze doen voor anderen? Ontmoeten presteerders, verongelijkten en tegenstanders van deze beide groepen elkaar in vormen van geïndividualiseerde solidariteit? Zou deze directe solidariteit, die mogelijk zelfs gebruikt wordt om de oude verzorgingsstaat nog verder af te breken, een eerste uitdrukking zijn van een economie die anders is dan de economie van de presteerders? En kunnen we daar als samenleving mee uit de voeten? Het zijn vragen die mogelijk verwarring stichten en die daarom wellicht niet geliefd zijn bij mensen die in actie willen komen tegen de afbraak van de verzorgingsstaat. Voor mensen die in dialoog willen met de presteerders en de verongelijkten kan het nodig zijn deze vragen onder ogen te zien en er toekomstgerichte antwoorden op te zoeken.

Dr. Raf Janssen (1945) studeerde sociologie en promoveerde op een studie over de verarming van mens en milieu. Hij was directeur van de Stichting Sjakuus en mede-oprichter van de Sociale Alliantie, waarvan hij secretaris is. Tevens is hij wethouder in de gemeente Helden. Hij publiceert over armoede als sociaal probleem.

1) Onderzoek naar de omvang en achtergronden van huishoudens met (een risico op) problematische schulden, uitgevoerd door onderzoeksbureau Panteia in opdracht van het ministerie van SZW, Zoetermeer, juli 2009
2) Voor een praktijkgerichte analyse - in beeld, woord en geluid - van deze vijf maatschappelijke trends zie: Ellie Smolenaars, Armoede Live!, Aksant, Amsterdam, 2008
3) Lilian Linders, De betekenis van nabijheid. Een onderzoek naar informele zorg in een volksbuurt, Den Haag, 2009
4) Zie http://www.oranjefonds.nl

 terug ...